Hitte stopt niet aan de taalgrens

Klimaatproblemen stoppen niet aan gewest- of taalgrenzen. Zonder gezamenlijke netten, infrastructuur en verantwoordelijkheid blijft Belgisch klimaatbeleid versnipperd en onvoldoende doeltreffend.

Share
Hoogspanningsmast boven een droog landbouwlandschap met woningen op de achtergrond.
Klimaatbeleid vraagt meer dan doelstellingen alleen. Zonder voldoende sterke en grensoverschrijdende energie-infrastructuur blijft de omschakeling kwetsbaar.

Een pleidooi voor Functioneel Federalisme

België wordt warmer. Niet alleen meteorologisch, maar ook bestuurlijk. We zagen het eerder tijdens de coronacrisis, bij de uitrol van het 5G-netwerk, en nu weer bij de hittegolf; wanneer snelheid, duidelijkheid en coördinatie nodig zijn, botst het land op zijn zelf gecreëerde institutionele doolhof.

De huidige hittegolf is daar een pijnlijk voorbeeld van. Terwijl temperaturen stijgen, kwetsbare mensen beschermd moeten worden, scholen, zorginstellingen, gemeenten en hulpdiensten nood hebben aan duidelijke richtlijnen, moet een federale minister eerst 21 andere kabinetten aanschrijven om tot enige coördinatie te komen. Om dan te moeten horen dat het allemaal niet zo dringend is en er al goed wordt samengewerkt. Paniekvoetbal is inderdaad niet nodig, maar dat men een jaar te laat was met het indienen van een Klimaatplan en dat men er jarenlang niet in slaagde om een akkoord te bereiken over de onderlinge verdeling van CO2-uitstoot, omwille van onenigheid tussen de regio’s, duidt eerder op het omgekeerde.

Extreme hitte is geen lokaal ongemak meer. Het is een volksgezondheidsprobleem, een klimaatprobleem, een energieprobleem, een mobiliteitsprobleem, een veiligheidsprobleem en een sociaal probleem tegelijk. Precies daarom werkt de Belgische versnippering hier zo verlammend. Niet omdat gewesten, gemeenschappen of gemeenten onbelangrijk zouden zijn. Integendeel. Maar omdat strategische problemen een strategisch kader nodig hebben.
Hitte stopt niet aan de taalgrens. Elektriciteit stopt niet aan de gewestgrens. Watertekort, overstromingen, droogte, energiebevoorrading en klimaatadaptatie laten zich niet organiseren volgens de logica van zes regeringen, tientallen ministers en een eindeloze reeks overlegcomités.

De les die we na corona vergaten

De coronacrisis toonde eerder al dat de bestuurlijke versnippering efficiënt en effectief beleid in de weg staat. Door de vele overlappende bestuurslagen, zonder duidelijke scheidsrechter, en doordat er maar liefst negen verschillende ministers van Volksgezondheid samen rond de tafel moesten ontstond chaos bij de aankoop van mondmaskers, vertraging bij de contactopsporing en verwarring door verschillende teststrategieën per regio.”

Dat sommige politici graag opdraven in allerlei overlegorganen, tot daaraantoe, maar als het beleid en de samenleving daar schade van ondervindt, is het niet meer dan normaal dat er ook over de structuur wordt nagedacht die tot die chaos leidt. Opmerkelijk was ook dat nagenoeg iedereen het er over eens was tijdens de coronacrisis dat dit diende te veranderen en meer coördinatie nodig was, maar van zodra de crisis voorbij was, verdween ook weer dat besef plots…

Het wordt tijd dat we opnieuw durven zeggen wat logisch is: strategische, grensoverschrijdende bevoegdheden horen federaal of Europees verankerd te worden. Niet omdat Brussel alles beter weet. Niet omdat Vlaanderen, Wallonië of Brussel geen rol hebben. Maar omdat sommige problemen alleen werken met één kader, één norm, één investeringslogica en één verantwoordelijke politieke lijn. En omdat de burger, in een Democratie nog steeds de kern van beleid en politiek, niet vraagt om communautair gepalaver maar om oplossingen.
Is dat een pleidooi voor centralisme? Nee, het is een pleidooi voor functioneel en efficiënt federalisme.

Een gezond federaal model vertrekt van een eenvoudige vraag: op welk niveau kan een probleem het best worden opgelost? Cultuur, taal, onderwijs, lokale inrichting… horen dicht bij gemeenschappen, gewesten en gemeenten. Uitvoering moet zo dicht mogelijk bij de burger gebeuren. Echter, klimaat, energienetten, bevoorradingszekerheid, crisiscommunicatie, grote infrastructuurwerken en alle andere domeinen die zich niet laten leiden door taalgrenzen, vragen federaal beton.

Zonder netten geen klimaatbeleid

Neem klimaat. Het federale en Europese niveau moet de bindende doelstelling vastleggen, het kader waarbinnen moet worden gewerkt; hoeveel uitstoot verminderen we, tegen wanneer, met welke nationale verplichting? De gewesten bepalen vervolgens hoe ze dat invullen: renovatiebeleid, ruimtelijke ordening, warmtenetten etc. Gemeenten voeren uit: fietspaden, verkoelingsplekken, ontharding, bomen, drinkwaterpunten, lokale zorgnetwerken...
Logisch, leesbaar, en democratisch controleerbaar.
Wat we vandaag hebben, is te vaak het omgekeerde: meerdere regeringen die tegelijk strategie, wetgeving, uitvoering, communicatie en verantwoordelijkheid opeisen. Daardoor ontstaat een bestuursmodel waarin iedereen deels bevoegd is, maar niemand volledig verantwoordelijk. En wanneer niemand volledig verantwoordelijk is, is de eerste reflex om naar anderen te wijzen. En de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen.

Op het vlak van energie zien we hetzelfde probleem: als iedereen verantwoordelijk is, is uiteindelijk niemand verantwoordelijk. België heeft één elektriciteitssysteem nodig, één investeringsvisie, één logica voor bevoorradingszekerheid en één coherent klimaatpad. Hoe dat concreet wordt ingevuld voor een wijk, hoe woningen gerenoveerd worden of waar precies een windmolen moet worden geplaatst, moet niet door een nationale overheid worden beslist, maar de basisinfrastructuur, de netten, de strategische planning, de grote opslag, de kernveiligheid en de bevoorradingszekerheid, moet op federaal niveau wordt uitgetekend en gestuurd. Zonder een federaal energiekader is het onmogelijk om een geloofwaardig klimaatbeleid te voeren. Een warmtepompbeleid zonder netcapaciteit is wensdenken. Renovatiepremies uitdelen zonder nationale investeringsstrategie, is ondoelmatig en inefficiënt. Regionale klimaatplannen zonder gedeelde doelstelling zijn symptoombestrijding.

De discussie over windenergie op zee toont dat bijzonder scherp. België kan ambitieuze plannen maken voor offshore wind, energie-eilanden en bijkomende productiecapaciteit, maar die stroom moet ook aan land geraken. Zonder tijdige hoogspanningsverbindingen blijft een deel van de energietransitie steken in regionale procedures, lokale weerstand en bezwaartrajecten. Een windmolenpark op zee, de aansluiting op land, Ventilus, Boucle du Hainaut, netcapaciteit, industriële bevoorrading en klimaatdoelstellingen zijn geen afzonderlijke dossiers. Ze vormen één strategisch pakket. Als één schakel ontbreekt, werkt het geheel niet. Dat betekent niet dat de federale overheid moet beslissen op welk exact perceel elke windmolen komt. Maar het betekent wel dat er een bindend federaal kader moet zijn: hoeveel capaciteit is nodig, welke infrastructuur is strategisch, welke termijnen gelden, welke zones zijn prioritair en welke procedures mogen niet eindeloos worden heropend. De regio’s kunnen dan zorgen voor ruimtelijke inpassing, vergunningen, compensaties en participatie. Lokale inspraak blijft nodig, maar mag geen permanent veto worden tegen infrastructuur die noodzakelijk is voor het hele land.

Andere federale landen begrijpen dat beter. Duitsland laat deelstaten accenten leggen, maar werkt met federale kaders voor grote energie- en infrastructuurkeuzes. De Verenigde Staten geven staten ruimte, maar de federale overheid zet de algemene energierichtlijnen uit. Zwitserland combineert sterke kantons met federale energiewetgeving, waarbij nationale richtlijnen, subsidiesystemen en marktregulering federaal zijn en de vertaling daarvan kantonnaal. De rode draad is telkens dezelfde: nabijheid waar het kan, eenheid waar het moet.

Welk niveau beschermt de burger het best?

Net hetzelfde zou perfect ook in België kunnen. We hebben de schaal van nabij bestuur én de noodzaak van nationale samenhang. Maar dan moeten we ophouden federalisme te verwarren met permanente versnippering. Federalisme betekent niet dat elk beleidsdomein in zoveel mogelijk stukjes moet worden geknipt. Federalisme betekent dat bevoegdheden helder, functioneel en democratisch worden verdeeld.
De vraag moet dus niet zijn: willen we meer België, of meer Vlaanderen, Wallonië of Brussel? Maar wel: welk niveau beschermt de burger het best?

Bij extreme hitte wil een oudere persoon in een Brussels appartement niet weten welke minister bevoegd is. Die wil weten waar verkoeling is, wie waarschuwt, welke hulp beschikbaar is en wie verantwoordelijk is. Een gezin dat zijn energiefactuur ziet stijgen, is niet geïnteresseerd in een institutioneel schema. Het wil betaalbare, zekere en duurzame energie. Een gemeente die moet ontharden, vergroenen en beschermen tegen hitte, heeft geen bestuurlijke mist nodig, maar duidelijke middelen en duidelijke lijnen.
Daarom moet klimaatadaptatie een kantelpunt worden in het Belgische institutionele debat. Niet als communautair strijdpunt, maar als een functionele stresstest voor onze staatsstructuur.
Wat strategisch, grensoverschrijdend en vitaal is, moet federaal of Europees worden vastgelegd. Wat lokaal, cultureel, ruimtelijk of uitvoerend is, moet dichtbij gebeuren. Daartussen is samenwerking nodig, maar samenwerking mag geen excuus blijven voor besluiteloosheid.
De hittegolf is dus meer dan een weersfenomeen. Het is ook een stresstest voor de staat. En België zakt opnieuw omdat het zijn eigen complexiteit belangrijker heeft gemaakt dan de bescherming van zijn burgers.

Wie vandaag ernstig is over klimaat, energie en veiligheid, moet ook ernstig zijn over staatsstructuur. Niet uit institutionele hobby. Niet om oude communautaire loopgraven te heropenen. Maar omdat goed bestuur levens kan redden. Dat is precies wat Functioneel Federalisme inhoudt. Niet alles naar boven trekken. Niet alles naar beneden duwen. Maar bevoegdheden leggen waar ze functioneel thuishoren en het meest efficiënt kunnen worden omgezet in beleid. Functioneel Federalisme betekent niet dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel geen rol meer spelen. Het betekent dat hun rol helder wordt. Strategische richting waar de schaal dat vereist. Uitvoering zo dicht mogelijk bij de burger. Inspraak zonder verlamming. Nabijheid waar het kan, eenheid waar het moet. Want democratie is uiteindelijk niet de kunst om macht zo ingewikkeld mogelijk te verdelen. Ze is, om Lincoln te parafraseren, bestuur van het volk, door het volk en voor het volk. En dat volk heeft geen behoefte aan bestuurlijke mist, maar aan bescherming, verantwoordelijkheid en resultaat.

Hitte stopt niet aan de taalgrens. Beleid zou dat ook niet mogen doen.